
Ze blijft voor de kierende slaapkamerdeur staan, de wasmand tegen haar heup gedrukt. Haar man staat schuin van haar af. Hij praat, maar wat hij zegt verstaat ze niet. Zijn handen gaan omhoog. Hij buigt zijn hoofd en drie keer achter elkaar drukt hij zijn lippen ergens tegenaan.
Een paar stukken wasgoed glijden uit de mand. Ze bukt om ze op te rapen. Als ze weer opkijkt, staat hij in de deuropening.
‘Hé schat, ben je hier? Even de was in de trommel doen. De koffie loopt door.’
~~~
Hij schuift haar een mok toe.
‘Je hebt vannacht flink liggen draaien.’
Ze knikt.
‘Ze willen maandag weten of ik het doe.’
Hij wacht.
‘Het is veel meer geld,’ zegt ze. ‘Maar ook een uur extra reizen. En ik ken daar niemand.’
‘Dat uur reistijd went wel. En sinds wanneer ben je bang nieuwe mensen te leren kennen?’
Hij blaast over zijn koffie en vervolgt: ‘Je bent niet iemand die stil wil blijven staan.’
‘Dat zeg je altijd.’
‘Omdat het zo is.’
Ze kijkt naar de damp boven haar mok.
Hij neemt een slok.
‘Als je het mij vraagt, zou ik het doen. Financieel geeft het lucht. En…’ Hij breekt een stukje van zijn koek af. ‘Misschien hoeven we dan niet allebei altijd vijf dagen te blijven draaien.’
Ze kijkt op.
‘Hoe bedoel je?’
Hij haalt zijn schouders op.
‘Ach, gewoon. Het zou wat ruimte geven.’
Ze zet haar kopje neer.
‘Dus jij zegt ja?’
‘Ik zeg ja.’
Ze drinken hun koffie op.
‘Weet je het zeker?’ vraagt ze.
‘Wat?’
‘Dat ik het doen moet.’
‘Ja natuurlijk.’
Ze houdt zijn blik een ogenblik vast. Dan schudt ze haar hoofd.
‘Ik denk er nog een nacht over.’
~~~
Ze liggen naast elkaar in bed. Pas als hij het bedlichtje uitknipt, begint ze erover.
‘Morgen willen ze het weten.’
‘Ben je er al uit?’
‘Nee, nog niet. Ik stond vanmorgen even op de overloop. Met de was.’
Ze hoort de hapering in zijn ademhaling.
‘De slaapkamerdeur stond op een kier.’
Na een paar tellen vraagt hij:
‘En?’
‘Ik zag je.’
In de stilte is kort het hoge gezoem van een mug te horen.
‘Ik kon niet zien wat je vasthad.’
‘Nee.’
‘Je zei iets.’
‘Weet ik niet meer.’
Ze draait haar hoofd naar hem toe.
‘Ik heb later nog gekeken. Er lag niets.’
Hij trekt het dekbed een stukje op.
‘Waarom vertel je me dit?’
‘Omdat ik er steeds aan moet denken.’
Ze wacht.
‘Over die baan…’ zegt ze.
‘Ja?’
‘Normaal was ik eruit zodra we er samen over hadden gepraat.’
‘En nu niet meer?’
Ze schuift haar kussen iets omhoog.
‘Ik weet niet meer of ik alles van je ken.’
Hij sluit zijn ogen.
‘Dat hoeft ook niet.’
…
‘Slaap lekker.’
‘Jij ook.’